Welkom bij de Protestantse gemeente Scherpenzeel / Munnekeburen
      

  Home        Over ons          Kerkdiensten          Activiteiten          Foto album        Anbi zaken            Allerlei

Meditatie

 

Een mens stippelt zijn weg uit,
de HEER bepaalt de richting die hij gaat.

Spreuken 16:9 (NBV)

 

 

Onderweg naar Scherpenzeel -Munnekeburen zag ik er laatst weer eentje.
Met een rustig gangetje zweefde hij door de lucht, hij leek wel stil te hangen, maar toen ik
zelf even stil ging staan om goed te kunnen kijken, zag ik hoe hij statig en langzaam voortbewoog.
Even werd de stilte verbroken door een ruisend geluid, en een felle vlam, maar al snel keerde de stilte terug.
Een beetje jaloers wendde ik mijn blik af om mijn weg te vervolgen.
Het is al lang een diepgekoesterde wens van mij om een keer een tocht te maken in een luchtballon.
De wereld bekijken vanuit een ander perspectief.
Geen ander geluid dan de stilte, af en toe de brander en een enkele kreet vanaf de aarde daar beneden.
Het wonderlijke van een luchtballon is dat je wel weet waarvandaan je vertrekt, maar niet waar je zult aankomen.
Je kunt een luchtballon niet sturen, je bent afhankelijk van de windsnelheid.
Hooguit kan de piloot een beetje spelen met de wind en de thermiek.  
Is het een metafoor voor het leven?
Wanneer je het leven ziet als een weg die je mag gaan, dan kun je het wellicht zo duiden.
Want al denken we soms (vaak) dat we alles in ons leven wel onder controle hebben,
en maken we plannen voor morgen, volgende week, volgend jaar of zijn we zelfs bezig met waar we
over 5 of 10 jaar willen staan, tegelijk zijn we afhankelijk van vele factoren die we zelf niet in de hand hebben.
 Hooguit kunnen we er een beetje mee spelen.
Maar waar we uit zullen komen, dat weten we van te voren niet.
We kunnen onze weg wel willen uitstippelen, maar als de wind van ons leven gaat draaien,
 komen we niet uit waar we hadden gedacht, en neemt ons leven een andere richting. 
G’ds richting?
Hoe kom je erachter wat G’ds plan is met jouw leven?
Ik moet dan denken aan de woorden van de kerkvader Augustinus ‘Heb lief en doe wat je wilt’.
Het plan van G’d, de richting die Hij wijst, de weg die wij mogen gaan, is de weg van de liefde.
Liefde voor G’d, voor de ander, je naaste, en voor jezelf.
Wanneer je je laat drijven door die liefde, wanneer die liefde de richting bepaalt, dan zul je je bestemming bereiken. Wanneer je de keuzes die je maakt, laat bepalen door het liefhebben van de Ander en de ander,
dan doe je wat G’d van je wilt.

 

Met vriendelijke groet,

 

Esther Pierik

 

 

 

 

 

 

 

In deze vakantie periode een meditatie die bestaat uit een ‘wolkwoord’ in de vorm van een hart.
Deze woordwolk is vrij intuïtief ontstaan, door in twee minuten een aantal woorden achter elkaar op te schrijven
die voor mij met geloven te maken hebben.
Een computerprogrammaatje maakt er dan een ‘wolk’ van door de woorden die je vaker hebt opgeschreven
groter (en vetter) af te drukken.
En dat kan dan verrassende ontdekkingen opleveren.
Dat G’d, geloof en liefde voor mij belangrijk zijn, wist ik wel, maar dat ‘rust’ blijkbaar nog iets zwaarder weegt
dan Jezus Christus, hoop en Bijbel vond ik wel bijzonder.
Ik daag u uit om ook eens op deze manier een ‘wolk’ te maken, tenslotte is dit een Kruispunt voor 2 maanden,
dus u heeft even de tijd ;-)  
G’d, een woord dat er in deze wolk uitspringt.
Maar wat zeg je als je ‘G’d’ zegt?
In de loop van de jaren en de gesprekken die ik heb mogen voeren, heb ik ontdekt dat ieder mens een
ander beeld heeft van G’d.
Voor de één is het meer een persoon, een ander ziet of ervaart het wat abstracter.
Maar het beeld dat je van G’d hebt, beïnvloed je hele leven. 
En dat beeld is ook ontstaan vanuit het leven dat je hebt, de ervaringen die je hebt meegemaakt.
Wanneer je bijvoorbeeld een aardse vader had die jou geen tijd en aandacht gaf,
is het ook moeilijk om voor te stellen dat onze hemelse Vader jou wel liefheeft,
en altijd tijd en aandacht voor je heeft.
Zo zijn er meer voorbeelden te noemen.
In Exodus 34 is te lezen hoe G’d aan Mozes verschijnt en zichzelf kenbaar maakt als
‘Liefdevol en genadig, geduldig, trouw en waarachtig’. 

Met vriendelijk groet,

Esther Pierik

 

 

 

Meditatie Pinksteren

 

Horen, zien en … spreken

 

Dit is het wonder: de kracht van de Geest            

baart stralend nieuw leven op ’t Pinksterfeest.

In een onzeker en kwetsbaar bestaan          

ontkiemt het bevrijdend, en kondigt ons aan:               

sta op en vat moed        

en weet het voorgoed            

dat goddelijke liefde de wereld begroet.

 

(lied 682 uit het Liedboek, zingen en bidden in huis en kerk)

 

Een prachtig lied uit het nieuwe liedboek, dat ons probeert te vertellen wat Pinksteren nou eigenlijk is. Pentekostos, het Griekse woord voor vijftig.

Pinksteren, het Nederlandse woord.

Het is het derde grote christelijke feest, na Kerst en Pasen.

Met Kerst vieren we de geboorte van Jezus.

En zijn opstanding, door de dood heen, na zijn leven en sterven, dat vieren we met Pasen.

Maar daarna?

Wat gebeurt er dan?

Vijftig dagen na Pasen vieren we Vijftigste, Pentekostos, Pinksteren.

Het is misschien wel het meest onbekende feest van deze drie, en moeilijk om uit te leggen.

Het is het feest van de Geest, van G’ds Geest, die mensen bezielt en in beweging brengt.

Eerst en toen de leerlingen van Jezus, maar tegenwoordig en nu ook mensen als u en ik.

 

Pinksteren, dat is horen, zien en … spreken.

Hoor, luister, een stormachtig geruis, iets dat klinkt als levende adem die schoonveegt en wegblaast. Hoor het evangelie in je eigen taal, de taal van je hart.

Zo spreekt G’d jou aan, omdat Hij weet wat je bezig houdt, waar je je zorgen over maakt,

of waar je dankbaar voor bent.

Hoor het Woord van G’d in je eigen hart.

Zie, kijk, vurige tongen die dansen en aanraken, een golf van begeestering en bezieling,

enthousiasme (letterlijk: bezield zijn).

Kijk hoe G’ds Geest je de weg wijst, al zie je het soms pas wanneer je terugkijkt op je leven.

kijk en zie hoe G’d je nooit alleen laat.

 En spreek, spreek zoals je nog nooit hebt gesproken, spreek omdat je niet langer kunt zwijgen,

 spreek over wat je bezielt.

Spreek, en laat het Goede Nieuws van G’ds liefde als een lopend vuurtje door de wereld gaan. 

 

Esther Pierik

 

*****************

 

Je leven in dozen…
Zoals u misschien weet zijn Henk en ik afgelopen maand verhuisd.
En dat betekent dat werkelijk alles wat je in huis hebt eerst moet worden ingepakt,
dan verplaatst  (regelmatig meer dan één keer) en vervolgens in het nieuwe huis alles weer moet worden uitgepakt.
En opnieuw een plekje zoeken.
En bij het uitpakken van dozen kun je heerlijk gaan mijmeren.
 Ik heb wel ontdekt dat ik dat niet teveel moet doen, anders komt er weinig op zijn plek.
Maar een bijzondere mijmering wil ik toch met u delen.
Zo kwam ik een boekje tegen wat ik op 8 mei 1981 van mijn vriendin Bea heb gekregen.
Nog steeds zijn wij goed bevriend met elkaar, al wonen we op ruim een uur rijden bij elkaar vandaan.
In het boekje had zij zelf een aantal gedichten geschreven, o.a. van Nel Benschop,
en citaten van o.a. Cicero, Albert Camus en Toon Hermans.
Ook zelf heb ik er van alles in geschreven, en zo door dat boekje bladerend kwamen er allerlei herinneringen bij mij op.
Ongeveer halverwege in het boekje staat, in een boog geschreven met mooi versierde letters
‘De Heer vaart wel mee’, en er onder ‘naar aanleiding van een preek op zondag 24 april 1983’.
En wonderlijk genoeg kan ik mij, 34 jaar later, nog een groot deel van die dienst herinneren.
Het ging over de storm op het meer, en hoe Jezus lag te slapen, terwijl de leerlingen angstig dachten dat zij zouden verdrinken.
En al dozen uitpakkend bedacht ik mij hoe het soms kan stormen in je leven.
Hoe gebeurtenissen je volledig uit koers kunnen slaan.
En hoe je je dan kunt afvragen of het ooit weer goed komt…
Het kan ook stormen in de wereld, vrijwel dagelijks horen we berichten over de storm van geweld en terreur,
 van angst en machtsvertoon, die over de aarde raast.
En wat te denken van de stormen die soms in je hart kunnen woeden.
Niemand die het ziet, maar wat kun je je dan losgeslagen voelen.
En waar is G’d? waar is Jezus?
 Ligt Hij te slapen, zoals in het verhaal van de storm op het meer?
Of?  
 
In een andere doos vond ik de CD van de musical Paulus, een aantal jaren geleden opgevoerd in Steenwijk.
 Eén van mijn lievelingsliederen ging over Psalm 139, waarin wij als alt-partij zongen

Onmogelijk de mogelijkheid dat U er niet zou zijn.
Dat U niet wakker zou liggen van mij!
Onafscheidelijk van mij (2x), als mijn eigen schaduw…


Zo dichtbij, als je schaduw, kan G’d ook zijn.
Zelfs in de storm van het leven.
Het lied gaat verder:
 ‘Onmogelijk dat U niet mee zou gaan,
als ik op weg ben en naar huis kom.
Onmogelijk dat ik niet Thuiskom met U.
Onmogelijk
!’

Ik hoop dat ook u zo G’d mag ervaren in uw leven.
 En dat u uiteindelijk bij Hem mag Thuis komen.
Zoals Jezus met Hemelvaart thuis kwam bij zijn Vader.




********************************


De Heer is waarlijk opgestaan!
Halleluja !
Nu wij nog…
Amen  

Het was de kortste Paaspreek die ik ooit had gehoord, maar wel woordelijk onthouden.
Maar ik word vaker herinnerd aan het Paasverhaal, want elke keer als ik een vlinder zie dan weet ik:
de Heer is waarlijk opgestaan! 
In een land hier ver vandaan, en al heel wat jaren geleden, leefde eens een klein rupsje.
Het rupsje was erg verlegen en vaak zenuwachtig, en zij deed vooral goed haar best om niet op te vallen.
Gelukkig had het rupsje een goede schuilplaats gevonden, dicht langs een weg, maar onder aan een heuvel.
Daar stond een grote groene struik, en in het midden van de struik, woonde het rupsje.
Daar at ze en groeide ze.
En wanneer het druk was op de weg, kon ze zich verstoppen achter een groot blad.
Maar het rupsje was ook een nieuwsgierig rupsje, dus ze had in het grote blad een kijkgaatje gegeten,
zodat ze kon zien wat er om haar heen gebeurde.  
Op een goede vrijdag was het rupsje, aangetrokken door een warm zonnetje,
helemaal boven in haar struik geklommen.
Daar zat ze lekker te eten en te genieten van het voorjaarsweer.
Opeens schrok ze op van luid geschreeuw!
Daar kwam een grote groep mensen aan, met midden tussen hen in drie mannen die een kruis op hun rug droegen.
 Het rupsje kroop gauw naar haar verstop plekje.
Ze kneep haar ogen stijf dicht en hield een aantal pootjes voor haar oren, om maar niets te horen en niets te zien.
Na een tijdje gluurde ze heel voorzichtig om zich heen.
Alle mensen hadden zich verzameld aan de top van de heuvel, daar hingen ook de drie mannen aan drie kruizen.
Eén van hen had een hele harde en koude blik in de ogen, het rupsje werd er helemaal akelig van.
Gauw wendde ze haar blik af en keek naar de andere man, bij hem las ze in de ogen dat hij spijt had,
hij was in gesprek met de man die in het midden hing.
Opeens las ze niet alleen spijt maar ook vreugde in de blik van de man.
 
Nieuwsgierig keek ze naar de man in het midden.
Ze voelde zich helemaal warm worden van binnen toen ze naar zijn ogen keek.
Ogen die vol mededogen en liefde neerkeken op de mensen die zich rond zijn kruis hadden verzameld.
Ogen die zoveel warmte uitstraalden en zoveel goedheid lieten zien. 
Het rupsje vergat haar angst en kroop langs de takken omhoog.
Daar zag ze dat boven de man een bordje hing: ‘Koning der Joden’, stond erop.
Een koning aan het kruis?
Het rupsje wist niet wat zij ervan moest denken.  
Opeens werd het donker om haar heen.
Een koude wind stak op en een donkere lucht omhulde plotseling de hele omgeving.
Het rupsje werd bang en kroop zo snel ze kon naar haar schuilplaats.
Na een tijd hoorde ze de man roepen: ‘Eli, Eli, lama sabachtani?’
Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’
Wat een pijn en eenzaamheid klonken er door in die stem.
Het rupsje beefde ervan.
Ze kroop diep weg in haar schuilplaats en weefde snel een cocon om zich heen.
Nu was ze beschermd tegen alles en iedereen.
Haar kon niets meer overkomen, dacht ze.  
Maar de aarde beefde, de rotsen scheurden, en het rupsje werd uit haar struik geblazen.
Ze rolde en tolde in het rond, weerloos overgeleverd aan de natuurelementen.
Met een schok kwam ze tot stilstand.
Voorzichtig voelde ze of ze al haar pootjes nog kon bewegen.
Toen viel ze in een diepe, diepe, droomloze slaap.
En ze sliep dagen en nachten lang.  
Op de derde dag, vroeg in de morgen, werd het rupsje wakker van het schudden en beven van de aarde.
O, nee toch, niet weer, dacht ze verschrikt.
Op haar netvlies was de blik van de man die de koning der Joden werd genoemd gebrand.
Ze herinnerde zich alles wat ze had gezien.
Ze wilde zich uitstrekken, maar dat ging niet.
Voorzichtig deed ze haar oogjes open, en zag tot haar schrik dat haar pootjes verdwenen waren!
 Ze was helemaal veranderd!
Wat was er gebeurd?   
Opeens ontdekte ze dat ze vleugels had gekregen.
Nu nog nat en in elkaar gevouwen, maar als ze hard duwde, kon ze de cocon, die haar eerst zo veilig had geleken,
maar die haar nu benauwde, die cocon kon ze voorzichtig uit elkaar laten vallen.
Na een tijdje was het haar gelukt.  
Op de tak van een struik zat een prachtige vlinder, met fluweelzachte, kleurige vleugels.
Nieuwsgierig keek de vlinder om zich heen.
Waar was ze terechtgekomen?
Het leek in niets meer op haar vorige plekje.
Het leek wel of ze in een soort hof was gekomen, een tuin.
Er stonden allemaal struiken en bomen.
En voor haar bevond zich een graf.
Maar de steen, die normaal gesproken de toegang verspert, was weggerold.
En op de steen zat een engel des Heren.
Zijn uiterlijk was als een bliksem, en zijn kleding wit als sneeuw.  
De engel sprak met twee vrouwen.
De vlinder had hen ook gezien bij de kruisiging.
Nieuwsgierig vloog ze wat dichterbij. ‘Weest niet bevreesd,’ hoorde ze de engel zeggen.
 ‘Ik weet dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde.
Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft.’
De vlinder fladderde opgewonden heen en weer.
De man die zij gezien had was Jezus.
Ze had al veel over Hem gehoord, maar durfde nooit zelf op onderzoek uit te gaan.
Maar nu, nu was alles anders.
Jezus is niet dood, Hij leeft.
De engel heeft het zelf gezegd.
De vlinder wilde het wel uitzingen, maar zingen kunnen vlinders niet.
In plaats daarvan vloog ze zo hoog als ze maar kon, en liet zich toen met een vaart weer naar beneden vallen.
Al haar angst was weg, en grote vreugde vervulde haar.
Opeens zag ze Hem. Jezus!
Hij sprak met de twee vrouwen.
De vlinder cirkelde om hen heen.
En ze besloot dat alle vlinders in de hele wijde wereld dit moesten weten.
En daarom zegt iedere vlinder die wij zien.

De Heer is waarlijk opgestaan!
Halleluja!
Amen!

**************************

Veertig dagen nog tot Pasen,
tot de winter is gegaan
en het lengen van de dagen
kou en duister gaan verjagen
en het leven op zal staan


Veertig dagen, weken, jaren,
wachten, weten en ervaren
dat iets nieuws, verandering
met vreugd en moeite samenging.

Veertig weken duurt het groeien
van het ongeboren kind
in de warme schoot van moeder
tot het klaar is om te komen,
volheid is en nieuw begin.
Veertig dagen, weken, jaren......

Veertig jaren van een leven
zijn naar mensenmaat een tijd
om te leren en te delen
wat met moeite werd verkregen,
daardoor worden mensen vrij.
Veertig dagen, weken, jaren......

Veertig dagen nog tot Pasen,
soms een tocht door de woestijn
om te leren en te vragen
hoe je duister kunt verjagen
om met Pasen klaar te zijn.
Veertig dagen, weken, jaren......

Uit de ‘Als de Graankorrel sterft’ van Marijke de Bruijne

 

**************************************

 

 

 

Verlangen

Zo aan het begin van het nieuwe jaar, kan ik altijd enorm verlangen naar het voorjaar,

naar zon en licht en warmte.

Naar dagen die weer langer worden.

Maar wat is verlangen eigenlijk?

Als kind weten we dat vaak precies, we verlangen naar een paard, een konijn,

een broertje of een nieuwe fiets.

De kans dat deze wensen vervuld zullen worden, is niet erg groot, maar dat maakt niet uit.

Wensen zijn wensen.

Als volwassene wordt het vaak anders.

We zijn geneigd alleen te verlangen naar datgene wat ook te realiseren is.

En veel van onze verlangens raak je in de loop van het leven kwijt.

We gedragen ons zoals verwacht wordt.

We doen ons werk, boodschappen, gaan op bezoek of ontvangen visite,

kijken naar televisie en soms gaan we op vakantie.

Is dat het dan?

Stel je voor dat je hele leven uit die ene dag bestaat die je vandaag leeft.

Is dit dan wat je ten diepste verlangt?

Of is het een leven zonder verlangen, een leven dat ons murw maakt?

Een leven waardoor we cynisch worden en leeg raken.

Verlangen is een begin, als zaad dat ernaar hunkert om te ontkiemen.

Verlangen maakt dat een pit kan uitgroeien tot een enorme zonnebloem,

dat een kind leert rollen, kruipen en lopen.

Zo brengt verlangen ons in beweging.

In Psalm 25 lezen we ‘Naar U, Heer, gaat mijn verlangen uit, mijn G’d,

op U vertrouw ik, maak mij niet te schande’.

Verlangen, zo leerde ik van verschillende docenten, verlangen is langer maken,

verlangen naar G’d is je willen uitrekken naar de Eeuwige toe, er dichterbij willen komen.

Zo is verlangen een kracht, en het stelt ons in staat om dingen te doen,

waartoe wij onszelf nooit in staat geacht hadden.

Volgens de kerkvader Augustinus hunkert de mens in zijn diepste wezen naar G’d en

 trilt die hunkering mee in elk aards verlangen.

Een diep verlangen naar geborgenheid, naar het verloren paradijs.

 Een oerverlangen naar vereniging met de Eeuwige die wij G’d noemen.

 

 

Daarom is het van groot belang om ons verlangen wakker te blijven houden,

zodat we ontvankelijk blijven en onbevangen in het leven kunnen staan om

 zo G’d te ontmoeten, te leren kennen.

Het is een verlangen in ons hart, dat door G’d wordt aangeraakt.

Dan kunnen we pas echt mens worden, als het goddelijke geheim in ons stroomt.

Want dat goddelijke geheim is niet uitsluitend buiten onszelf, het is ook in ons.

Zo woont G’d in ons, en tegelijk overstijgt Hij ons, en raken we langzaam maar zeker

vertrouwd met het eigenlijke geheim van ons bestaan.

 

Naar U, Heer, gaat ons verlangen uit…

 

 

 


 





Overdenkingen door

Esther Pierik



Alle Meditaties 2016